Schrijver op bezoek

VMBO in Venlo

door Bobje Goudsmit

Elk jaar laat de VMBO school in Venlo alle brugklassen in vier dagen tijd een theatervoorstelling uit de grond stampen, rond één schrijver. Ik werd voor de derde keer uitgenodigd en maakte ditmaal iets heel bijzonders mee.

Het begon als volgt. Ik zou op het station in Venlo opgehaald worden. Er stonden twee jongens in de stationshal te wachten. 'Hallo?' zei ik opgewekt. Geen reactie, dus ik liep hen voorbij. Buiten stormde de leraar op me af. 'Hoi Bobje! Hebben ze je niet herkend?' Nee dus. Wij terug naar de stationshal om de jongens op te halen. Hadden ze een oude foto van mij via internet opgeduikeld en mijn gezicht veel te breed uitgeprint, zodat het leek alsof ik een verlepte Russische was!

Toen naar de Garage, een klein door de gemeente gerund theater, dat oorspronkelijk een werkplaats was voor leerling-automonteurs. Daar werd ik voorgesteld aan de coördinator, een aantal leraren en aan een zwaar gehandicapte jongen in een rolstoel met zijn begeleider. Hij kon niet spreken, alleen maar geluiden uitstoten. De coördinator vertelde me dat hij behoorlijk intelligent was en dat zijn ouders hadden geregeld dat hij zoveel mogelijk lessen in normaal klassenverband mocht bijwonen. Mits de docenten erin toestemden. Hij had altijd een begeleider bij zich en veroorzaakte geen overlast. De kinderen waren aan hem gewend geraakt, maar echt contact met hem hadden ze niet. Ze gingen gewoon hun eigen gang. 'Hij is dus best alleen,' zei ik. Ze haalde haar schouders op. Open deur mijnerzijds, begreep ik.

De theatervoorstelling begon. Zes klassen per optreden, volle bak dus. Eerst werd ik voorgesteld, daarna een interview met mijn twee leerlingen uit de stationshal. Onder andere de vraag of ik vaak met de trein reisde? Mijn lievelingsdier? Ik begon uitgebreid antwoord te geven en vertelde tegelijkertijd waar ik zoal inspiratie vandaan haalde. Op een gegeven moment beschreef ik hoe ik in de trein een vader ontmoet had (met net zo'n hondje als Saartje bij zich, zo kwamen we in gesprek), wiens dochtertje van tien als baby een hoge dwarslaesie had opgelopen na een auto-ongeluk. Ik vertelde dat ik haar een boek had opgestuurd, omdat ik haar zo'n dapper klein meisje vond, en ontdekte toen opeens tot mijn schrik dat de gehandicapte jongen die in de rolstoel op de voorste rij zat in tranen was. De begeleider veegde zijn tranen af. De rest van de presentatie hield ik hem scherp in de gaten en ik zag hoe hij genoot. Van mijn verhalen, van de liedjes door vijf meisjes gezongen, van de dating site die ik moest ondergaan en het slowdansen met mijn 'uitverkorene', alles slorpte hij met zijn ogen en oren op. Zijn gezicht straalde.

Na afloop ging ik naar hem toe en zei dat het niet mijn bedoeling was geweest hem in tranen te krijgen. Zijn begeleider zei daarop dat dat geen probleem was en voegde eraan toe: 'Hij vond het allemaal heel mooi. Hij wil je daarom iets zeggen. Maar dan moet je wel even geduld hebben.' Ik keek blijkbaar nogal verbaasd, tot ze me uitlegde dat hij tegenwoordig kon omgaan met de spraakcomputer die op zijn rolstoel bevestigd was. 'Dan richt hij zijn blik op een blokje tekst en dat wordt omgezet in geluid.' Ik wachtte. En wachtte. En wachtte. Even later hoorde ik een metalige computerstem zeggen: 'Leuk. Geweldig. Dank u wel.'

Ik slikte iets weg. 'Dit is het mooiste compliment dat ik ooit gekregen heb,' zei ik tegen. 'Jij ook dank je wel.'

Bobje Goudsmit


Geplaatst op 19.06.2016